V.O.K. checklist

De V.O.K checklist

 

Het Warenwetbesluit liften dat sinds 1 september 2003 van kracht is geworden heeft voor u als eigenaar of beheerder gevolgen. In artikel 19.3 van het besluit staat dat u als eigenaar of beheerder verantwoordelijk bent voor een veilige toegang en een veilige omgeving van de liften. Op grond van de ARBO- wetgeving en relevante artikelen in het Burgerlijk Wetboek zijn liftkeuringen per 1 januari 2004 uitgebreid met een toetsing op het veilig kunnen onderhouden en keuren van liftinstallaties.

Deze toetsing wordt uitgevoerd aan de hand van de V.O.K.-lijst. (V.O.K. staat voor: Veilig Onderhoud en Keuring). De V.O.K.-lijst is gebaseerd op een risico- inventarisatie en –evaluatie (RI&E) conform de norm ISO 14798-1.

Dit heeft geleid tot de risicocategorieën 1 t/m 4, al naar gelang de mate van ernst en waarschijnlijkheid van optreden.

 

Categorieën, beoordeling en termijnen:

 

In onderstaande tabel zijn de categorieën weergegeven met de daaraan gekoppelde beoordeling en het tijdsbestek waarin de geïnventariseerde risico’s dienen te worden verholpen.

Categorie  Beoordeling Termijn waarin risico´s moeten zijn verholpen
cat. 1 Onacceptabel Binnen 3 keuringen
cat. 2 Ongewenst Binnen 3 keuringen
cat. 3 Acceptabel met herbeoordeling Binnen 12 jaar of bij eerstkomende renovatie
cat. 4 Geen actie noodzakelijk Geen tijdslimiet

 

 

Zin Categorie Omschrijving
AB 1 Indien wij het hierna genoemde punt bij de volgende keuring moeten herhalen, zullen wij het certificaat moeten inhouden:
AB 2 Indien wij de hierna genoemde punten bij de volgende keuring moeten herhalen, zullen wij het certificaat moeten inhouden:
AB 10 cat. 3 De toegangsweg naar de liftmachinekamer moet in de vluchtrichting tot aan een publiekelijk toegankelijke ruimte worden voorzien van noodverlichting.
AB 11 cat. 3 De in de toegangsweg naar de liftmachinekamer gelegen deuren, inclusief de toegangsdeur van de liftmachinekamer, moeten in de vluchtrichting zonder sleutel kunnen worden geopend.
AB 12 cat. 3 Om opsluiting in het gebouw te voorkomen moeten duidelijke afspraken gemaakt worden met de beheerder.
AB 13 cat. 3 De deuren tussen de liftmachinekamer en algemeen toegankelijke ruimte in het gebouw moeten in de vluchtrichting draaien . Dit betreft (Aantal deuren)
AB 15 cat. 2 De boven de schuin opgestelde ladder of trap in de toegangsweg naar de liftmachinekamer toegepaste ladderdelen of klimijzers moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : – hoogte maximaal 1.5 meter; – beveiligd tegen zijdelings afglijden.
AB 20 cat. 2 De toegangsladder naar de liftmachinekamer/schijvenruimte voldoet niet aan een of meerdere van de volgende gestelde voorwaarden :

a

bij hoogteverschillen groter dan 1,5 m moet de ladder onder een hoek van 65-75 graden ten opzichte van de horizontaal opgesteld kunnen worden;

b

de sportbreedte moet tenminste 30 cm bedragen;

c

de diepte van de treden moet 2,5 cm of meer bedragen;

d

de afstand tussen de treden en de wand moet minimaal 15 cm bedragen;

e

in de ruimte boven de ladder moet ter plaatse van de ladder een bruikbare handgreep worden aangebracht;

f

ladders mogen hoogteverschillen van maximaal 4 m overbruggen;

g

1,5 m rondom de ladder mag geen valgevaar aanwezig zijn voorbij de verdieping waar de ladder staat opgesteld;

h

het gewicht van de ladder mag maximaal 25 kg bedragen;

i

elke trede moet geschikt zijn voor een belasting van tenminste 150 kg;

j

indien de ladder wegneembaar is, moet deze met bijv. haken veilig plaatsbaar en in gebruikstoestand ver- grendelbaar zijn

k

de sportafstand moet tussen 25 en 30 cm bedragen.
AB 21 cat. 2 De vlizo- of zoldertrap in de toegangsweg naar de liftmachinekamer/schijvenruimte voldoet niet aan een of meerdere van de volgende gestelde voorwaarden :

a

de trap moet onder een hoek van 65-75 graden ten opzichte van de horizontaal opgesteld kunnen worden;

b

de sportbreedte moet tenminste 30 cm bedragen;

c

de diepte van de treden moet 2,5 cm of meer bedragen;

d

de afstand tussen wand en beklimbare zijde van de trap moet minimaal 17 cm bedragen;

e

in de ruimte boven de trap moet ter plaatse van de ladder een bruikbare handgreep worden aangebracht;

f

trappen mogen hoogteverschillen van maximaal 4m overbruggen;

g

15 m rondom de trap mag geen valgevaar aanwezig zijn voorbij de verdieping waar de ladder staat opgesteld;

h

de trap moet in de gebruikstand te vergrendelen zijn

i

elke trede moet geschikt zijn voor een belasting van tenminste 150 kg;

j

langs de trap moet een leuning aanwezig zijn.

k

de leuning langs de trap moet bereikbaar zijn vanaf vloerniveau;

l

de trap mag in de gebruikstand niet kunnen wegglijden of verder uitschuiven.
AB 22 cat. 3 De opbergplaats van de ladder naar de liftmachinekamer is niet goed en/of veilig te bereiken . De opbergplaats moet worden aangepast of er dient een andere locatie te worden gekozen.
AB 23 cat. 2 De vrije hoogte boven de treden van de toegangsladder naar de liftmachinekamer moet tenminste 1,8 meter bedragen.
AB 24 cat. 2 Er moet een doelmatige handgreep worden aangebracht aan de afstapzijde van de toegangsladder naar de liftmachinekamer.
AB 27 cat. 2 De doorgang in de toegangsweg naar de liftmachinekamer moet tenminste 60 cm breed zijn . Derhalve moeten de volgende bouwkundige aanpassingen worden doorgevoerd:
AB 28 cat. 2 Naast de trap in de toegangsweg naar de liftmachinekamer moet een leuning worden aangebracht van 0,9 meter hoog en indien een muur ontbreekt moet er een tussenregel worden aangebracht.
AB 30 cat. 1 Het valgevaar in de toegangsweg naar de liftmachinekamer over het dak moet worden opgeheven.
AB 31 cat. 1 De toegangsweg naar de liftmachinekamer over het dak moet door middel van een eenduidige loopwegmarkering worden aangegeven.
AB 32 cat. 1 De toegangsweg naar de liftmachinekamer over het dak moet voorzien worden van orientatieverlichting welke aan en uit te schakelen is bij de dakopgang en in de liftmachinekamer.
AB 33 cat. 3 Het struikelgevaar in de toegangsweg naar de liftmachinekamer over het dak moet worden opgeheven . Dit betreft:
AB 34 cat. 1 Het tegelpad op het dak moet minimaal 60 cm breed zijn en bestaan uit aaneengesloten tegels.
AB 35 cat. 3 De toegangsweg naar de liftmachinekamer moet worden vrijgehouden van opgeslagen materialen . Derhalve moeten de volgende materialen elders worden opgeslagen:
AB 36 cat. 3 Scherpe en uitstekende delen in de toegangsweg naar de liftmachinekamer moeten worden gemarkeerd met reflecterende tape . Dit betreft
AB 37 cat. 3 De toegangsweg naar de liftmachinekamer moet vrij zijn van hindernissen zoals bijvoorbeeld hobbels en gaten in de looproute.
AB 40 cat. 3 De minimale afmetingen van het toegangsluik naar de liftmachinekamer moeten 80 x 80 cm bedragen.
AB 41 cat. 3 De minimale opening van deuren in de toegangsweg naar de liftmachinekamer moet 1,8 x 0,6 meter bedragen.
AB 50 cat. 3 De vloer in de toegangsweg naar de liftmachinekamer mag niet glad zijn.
AB 51 cat. 3 De vloer in de toegangsweg naar de liftmachinekamer moet voldoende sterk zijn.
AB 60 cat. 2 De kracht benodigd om het toegangsluik tot de liftmachinekamer te openen en/of te sluiten is te groot . De benodigde kracht moet worden verkleind, bijvoorbeeld door het luik te balanceren.
AB 61 cat. 2 Het toegangsluik naar de liftmachinekamer is niet goed bereikbaar . De hulpmiddelen om het luik te openen dienen ter plaatse aanwezig te zijn.
AB 71 cat. 2 Spanningvoerende delen in de kooi moeten worden afgeschermd tot een graad van IP 2X.
AB 80 cat. 3 Het kooidak mag niet glad zijn.
AB 81 cat. 3 Het kooidak moet versterkt worden, genoeg om twee personen te kunnen dragen.
AB 82 cat. 2/1 Om alle te onderhouden en te inspecteren onderdelen goed te kunnen bereiken moet de werkplek op het kooidak zodanig zijn uitgevoerd dat niet meer dan 0,7 m gereikt hoeft te worden (risicograad 2; voor glas risicograad 1).
AB 83 cat. 2 De horizontale afstand vanaf de kooirand tot de schachtwand(en) resp. scheidingswand is groter dan 30 cm, waardoor personen vanaf het kooidak de schacht in kunnen vallen . Om valgevaar uit te sluiten kan bijvoorbeeld schachtwandbeplating worden aangebracht. Eventuele borstweringen moeten voldoen aan de onderstaande bepalingen: – voorzien van knieregel en voetstootlijst; – 0,70 m hoog, indien de afstand in een horizontaal vlak achter de buitenrand niet meer dan 0,85 m bedraagt; – 1,10 m hoog, indien de afstand in een horizontaal vlak achter de buitenrand groter is dan 0,85 m; – aan de voor borstwering geldende vrije ruimten moet worden voldaan. – indien nodig moet een opschrift worden aangebracht, dat wijst op het gevaar van het over de borstwering leunen.
AB 84 cat. 3 De losse kabels op het kooidak moeten worden vastgelegd.
AB 85 cat. 3 De afmeting(en) van de werkplek(ken) op het kooidak is (zijn) onvoldoende . Dit moet worden verbeterd. Dit betreft
AB 90 cat. 2 De verlichtingssterkte op het kooidak is onvoldoende. Deze moet worden verbeterd tot tenminste 50 lux op 1 m boven het kooidak.
AB 91 cat. 2 De verlichtingssterkte nabij de elektrische besturingskasten in de schachtkop is onvoldoende. Deze moet worden verbeterd tot tenminste 200 lux.
AB 100 cat. 2 Sanningvoerende delen op het kooidak moeten worden afgeschermd tot een graad van IP 2X.
AB 110 cat. 2 Op het kooidak moet een inspectiebesturing worden aangebracht.
AB 120 cat. 2 Op het kooidak moeten, ter voorkoming van lichamelijk letsel, om bewegende delen afschermingen worden aangebracht . De afschermingen moeten voldoen aan de eisen gesteld in kolom a) van Tabel 2 uit de NEN-EN 81:1998, of dienen tenminste gelijkwaardig te zijn.
AB 124 cat. 2 De leidschijf op de plunjer moet ter voorkoming van lichamelijk letsel, worden voorzien van een beveiliging welke voorkomt dat de vingers bekneld raken tussen schijf en kabels.
AB 130 cat. 3 De machine en/of schakelapparatuur is in de schacht opgesteld. Teneinde bij wegvallen van de netspanning de vluchtweg te markeren moet een noodverlichting worden aangebracht.
AB 131 cat. 4 Teneinde bij wegvallen van de netspanning de vluchtweg te markeren is het gewenst in de schacht of op het kooidak noodverlichting aan te brengen.
AB 140 cat. 2 De toegangsweg naar de put moet gemakkelijk en veilig betreedbaar zijn . Hiertoe moet een ladder worden aangebracht (sportbreedte min. 30 cm, sportafstand 25-30 cm en tredediepte 2,5 cm):

1

vast aangebracht waarbij de horizontale afstand van de schachtopening tot het hart van de ladder binnen 70 cm is gesitueerd, tenminste een van de bomen doorloopt tot tenminste 1,80 m boven het vloerniveau van de onderste stopplaats en de afstand tussen de sporten en de achterliggende wand minimaal 15 cm bedraagt.

2

niet-vast aangebracht waarbij de horizontale afstand van de schachtopening tot het hart van de ladder kleiner of gelijk is aan 70 cm, niet-vervreemdbaar, onder een hoek van 70 a 76 graden moet kunnen worden opgesteld, in de onderste schachtdeurgeleiding (of gelijkwaardig) kan worden vastgezet en een zodanige lengte heeft dat hij in de gebruiksklare stand ca. 3 sporten boven de schachtdeurdrempel uitsteekt.
AB 143 cat. 2 De schachtputladder voldoet niet aan een of meerdere van de volgende gestelde voorwaarden :

a

de afstand tussen de stijlen van de ladder moet 30 cm of meer bedragen; – de sportafstand moet tussen de 25 en 30 cm bedragen; – de tredediepte moet tenminste 2,5 cm zijn;

b

de horizontale afstand van de schachtopening tot het hart van de ladder moet kleiner of gelijk zijn dan 70 cm;

c

tenminste een van de bomen van de ladder moet doorlopen tot tenminste 1,80 m boven het niveau van de vloer van de onderste stopplaats, tenzij op die hoogte een handgreep is aangebracht;

d

de afstand van het hart van de sporten tot de achterliggende wand moet 15 cm of meer bedragen.
AB 144 cat. 2 Voor de schachtputladder mogen zich geen kabels e.d. bevinden die het beklimmen van de ladder belemmeren.
AB 145 cat. 2 De losse toegangsladder tot de schachtput voldoet niet aan een of meerdere van de volgende gestelde voorwaarden :

a

– de afstand tussen de stijlen van de ladder moet 30 cm of meer bedragen; – de sportafstand moet tussen de 25 en 30 cm bedragen; – de tredediepte moet tenminste 2,5 cm zijn;

b

bij voorkeur aan de sluitzijde van de schachtdeuren wordt opgehangen, waarbij de horizontale afstand van de schachtopening tot het hart van de ladder kleiner of gelijk is dan 70 cm;

c

tegen vervreemding met een ketting aan de wand wordt bevestigd;

d

onder een hoek van 70 a 76 graden moet kunnen worden opgesteld;

e

met een beugel in de onderste schachtdeurgeleiding (of gelijkwaardig) kan worden vastgezet;

f

een zodanige lengte heeft dat het in de gebruiksklare stand ca. 3 sporten boven de schachtdeurdrempel uitsteekt.
AB 150 cat. 3 De vloer van de schachtput mag niet glad zijn.
AB 151 cat. 3 Het struikelgevaar in de schachtput moet worden opgeheven.
AB 160 cat. 2 De verlichtingssterkte op 1 m boven de putvloer moet tenminste 50 lux bedragen.
AB 161 cat. 2 De verlichtingssterkte nabij de in de schachtput opgestelde elektrische besturingskasten of machines is onvoldoende . Deze moet worden verbeterd tot tenminste 200 lux.
AB 170 cat. 2 Spanning voerende delen in de schachtput moeten worden afgeschermd tot een graad van IP 2X.
AB 180 cat. 2 In de schachtput moet een blokkeerschakelaar worden aangebracht. De blokkeerschakelaar moet zowel vanaf de verdiepingsvloer als vanuit de put kunnen worden bediend.
AB 190 cat. 2 In de schachtput moeten, ter voorkoming van lichamelijk letsel, om de bewegende delen afschermingen worden aangebracht .
AB 191 cat. 3 De ruimte voor het tegengewicht of balanceergewicht moet zijn afgescheiden door middel van een stevig scherm op een afstand van niet meer dan 0,3 m boven de vloer van de schachtput tot tenminste 2,5 m hoog. De breedte moet tenminste gelijk zijn aan die van het tegengewicht of balanceergewicht plus 0,1 m aan weerskanten . In uitzonderlijke gevallen evenwel, wanneer bovengenoemde oplossing niet kan worden toegepast, kan met alternatieven genoegen worden genomen. In dit geval moet door middel van een risico-inventarisatie en -evaluatie worden aangetoond, dat het alternatief een gelijkwaardig veiligheidsniveau bewerkstelligt.
AB 200 cat. 3 De machine en/of schakelapparatuur staat in de schachtput opgesteld. Teneinde bij wegvallen van de netspanning de vluchtweg te markeren moet noodverlichting worden aangebracht.
AB 201 cat. 4 Teneinde bij wegvallen van de netspanning de vluchtweg te markeren is het gewenst in de schachtput noodverlichting aan te brengen.
AB 210 cat. 2 De hoogteverschillen tussen vloerniveaus in de liftmachinekamer van meer dan 0,5 meter moeten overbrugd worden door middel van vaste trappen, ladders of klimijzers . Derhalve moeten de volgende aanpassingen worden doorgevoerd:
AB 211 cat. 2 Valgevaarlijke punten van hogere niveaus in liftmachinekamers dienen, indien deze niveauverschillen meer dan 0,5 meter bedragen, afgeschermd te worden door een leuning van minimaal 1 meter voorzien van een tussenregel. Indien het valgevaar meer dan 2,5 meter bedraagt moet een dergelijk hekwerk met een voetstootlijst met een hoogte van tenminste 15 cm worden aangebracht.
AB 212 cat. 2 Onderhoud aan de liftmachine moet bij deze installatie geschieden op een stahoogte van meer dan een meter. Boven een stahoogte van een meter is een keukentrap als klimmateriaal niet acceptabel . De installatie moet worden voorzien van een al dan niet opklapbaar werkbordes met afmetingen van ten minste 0,5 x 0,6 m. op de vereiste stahoogte. Voor het bereiken van het werkbordes moet een vast te zetten en niet vervreemdbare ladder beschikbaar zijn die is opgesteld onder een hoek van 65 – 75 graden ten opzichte van de horizontaal.
AB 220 cat. 2 Het valgevaar bij het toegangsluik naar de liftmachinekamer moet worden opgeheven door een hekwerk of een binnenluik.
AB 231 cat. 3 De vloer van de liftmachinekamer moet worden vlakgemaakt.
AB 232 cat. 3 De vloer in de liftmachinekamer mag niet glad zijn.
AB 240 cat. 2 De verlichtingssterkte in de liftmachinekamer is onvoldoende. Deze moet worden verbeterd tot tenminste 200 lux op vloerniveau.
AB 250 cat. 2 De afmeting(en) van de doorgangsweg in de liftmachinekamer naar de hieronder genoemde onderdelen is (zijn) onvoldoende en moet(en) worden verbeterd .
AB 251 cat. 2 De afmeting(en) van de werkplek(ken) in de liftmachinekamer nabij de hieronder genoemde onderdelen is (zijn) onvoldoende en moet(en) worden verbeterd .
AB 260 cat. 2 Spanningvoerende delen in de machineruimte moeten worden afgeschermd tot een graad van IP 2X.
AB 270 cat. 2 De hoofdschakelaar moet vergrendelbaar zijn in de uitstand.
AB 280 cat. 2 In de machineruimte moeten, ter voorkoming van lichamelijk letsel, om bewegende delen afschermingen worden aangebracht . De beschermingen moeten voldoen aan de eisen gesteld in kolom a) van Tabel 2 uit de NEN-EN 81:1998 of moeten tenminste gelijkwaardig zijn.
AB 281 cat. 2 De schijven in de machineruimte moeten, ter voorkoming van lichamelijk letsel, worden voorzien van een beveiliging welke voorkomt dat de vingers bekneld raken tussen schijf en kabels . Dit betreft
AB 290 cat. 3 In de liftmachinekamer moet noodverlichting worden aangebracht teneinde bij weggevallen netspanning de vluchtweg te markeren.
AB 300 cat. 2 De hoogteverschillen in de schijvenruimte tussen vloerniveaus van meer dan 0,5 meter moeten overbrugd worden door middel van vaste trappen of ladders.
AB 301 cat. 2 Valgevaarlijke punten van hogere niveaus in schijvenruimten dienen, indien deze niveauverschillen meer dan 0,5 meter bedragen, afgeschermd te worden door een leuning met tussenregel. Indien het valgevaar meer dan 2,5 meter bedraagt moet een dergelijk hekwerk met een voetstootlijst met een hoogte van ten minste 15 cm worden aangebracht.
AB 310 cat. 2 Het valgevaar bij het toegangsluik naar de schijvenruimte moet worden opgeheven door een hekwerk of een binnenluik.
AB 320 cat. 3 De vloer van de schijvenruimte moet worden vlakgemaakt.
AB 321 cat. 3 De vloer in de schijvenruimte mag niet glad zijn.
AB 330 cat. 2 De verlichtingssterkte in de schijvenruimte is onvoldoende, deze moet worden verbeterd tot tenminste 100 lux nabij de schijven.
AB 331 cat. 2 De verlichtingssterkte nabij de in de schijvenruimte opgestelde elektrische besturingskasten is onvoldoende . Deze moet worden verbeterd tot tenminste 200 lux.
AB 340 cat. 3 De toegangsweg in de schijvenruimte naar de hierna genoemde onderdelen is onvoldoende en moet worden verbeterd . Dit betreft:
AB 341 De afmeting(en) van de werkplek(ken) in de schijvenruimte nabij de hierna genoemde onderdelen is (zijn) onvoldoende en moet(en) worden verbeterd . Dit betreft:
AB 350 cat. 2 In de schijvenruimte moet een blokkeerschakelaar worden aangebracht.
AB 360 cat. 2 Spanningvoerende delen in de schijvenruimte moeten worden afgeschermd tot een graad van IP 2X.
AB 380 cat. 4 Teneinde bij wegvallen van de netspanning de vluchtweg te markeren is het gewenst in de schijvenruimte noodverlichting aan te brengen.
AB 400 De recent aangebrachte voorziening(en) in het kader van de eisen voortkomende uit de V.O.K.-lijst is(zijn) niet afdoende en moet(en) verder worden verbeterd. Dit betreft:
AB 401 cat. 2 De recent aangebrachte vergrendeling op de hoofdschakelaar is uitgevoerd met metalen delen . Deze delen moeten worden geaard of worden vervangen door kunststof onderdelen.
AB 402 De hieronder genoemde voorzieningen moeten in het kader van de V.O.K.-check worden hersteld. Dit betreft